Veroorzaakt voeding ADHD?

Enige tijd terug verscheen in Nederland het volgende persbericht met als titel: Voeding veroorzaakt heel erg vaak ADHD. Ook in Vlaanderen zorgde het voor enige deining.

“De Nederlandse Lidy Pelsser zet al liefst 15 jaar alles op alles om aan te tonen dat het volgen van een speciaal dieet en het mijden van bepaalde voedingsstoffen ADHD als sneeuw voor de zon doet verdwijnen. En eindelijk is het haar gelukt. Onlangs verscheen haar baanbrekende onderzoek in het prestigieuze wetenschappelijke tijdschrift ‘The Lancet’. En, zo weten we, die gaan niet over één nacht ijs. “Ongelooflijk, ik ben zo’n beetje de gelukkigste mens op aarde.”

Er is al veel over gezegd en geschreven, maar nog nooit is het zo uitgebreid onderzocht. En nog nooit zijn de resultaten zo spectaculair. Liefst 64 procent, dus ruim 6 op de 10 kinderen, heeft na het volgen van een speciaal dieet totaal geen ADHD meer. Omdat het dieet veel discipline vereist, lukte het een aantal ouders en kinderen met ADHD niet om het onderzoek goed vol te houden. Als je die gevallen niet meetelt, was zelfs bijna 80 procent van de ADHD-ers geheel klachtenvrij.

En dat betekent nogal wat. 5 procent van de Nederlandse jeugd heeft deze aandoening. Steeds meer drukke kinderen kregen de laatste jaren het etiquette ADHD opgeplakt. Duizenden van hen slikken dagelijks pillen om hun drukke gedrag in toom te houden. De farmaceutische industrie vaart er wel bij maar, zo weten we inmiddels, medicijnen als Rilatine® zijn niet louter goed voor een mens.

Vast staat dat de pillen op de lange termijn steeds minder effect hebben, waardoor gebruikers er steeds meer van nodig hebben. Daarnaast zijn er de vervelende bijverschijnselen zoals lusteloosheid, sloomheid, verlies van persoonlijkheid en zelfs depressiviteit. Onnodig in een meerderheid van de gevallen, zo blijkt uit het onderzoek van Pelsser. Als de kinderen en hun ouders zich onderwerpen aan een eliminatiedieet wordt precies helder welke voedingsstof wel en welke geen ADHD veroorzaakt. Het gaat dan om doodgewone producten als bloemkool, tomaten of zelfs tandpasta.

Het televisieprogramma Eén vandaag speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming van het onderzoek. Toen een programma drie jaar geleden aandacht besteedde aan het onderzoek van Pelsser dat maar niet los kwam vanwege geldgebrek, diende zich een weldoener aan die de ontbrekende centen op tafel legde. Het onderzoek kon van start gaan.

Nu is het de vraag of en hoe het onderzoek wordt uitgerold. Huisartsen en andere hulpverleners zouden, als ze de conclusies serieus nemen, eerst een voedingsdieet van 5 weken moeten overwegen. Na die periode is duidelijk OF voeding bij een bepaald kind ADHD veroorzaakt. Bij 80 procent is dat het geval. Het vervolgonderzoek om precies uit te zoeken aan welk eten het ligt, duurt zo’n anderhalf jaar. Maar het lijkt het waard, liever voeding een beetje aanpassen dan jarenlang onnodig duizenden pillen slikken.

En de overheid kan er ook wel bij varen. Als dit onderzoek echt wordt uitgevoerd, kan het op jaarbasis voor een besparing van 200 miljoen euro zorgen. Niet gek in tijden van zware bezuinigingen.”

De redactie van Signaal vroeg prof. dr. Marina Danckaerts van de KU Leuven naar een reactie op deze berichtgeving, die we onze lezers niet willen onthouden.

“Het onderzoek is inderdaad een belangrijke stap in het verder uitklaren van de mogelijke rol van een eliminatiedieet in de behandeling van kinderen met ADHD. Enkele bijzonderheden van het onderzoeksopzet blijven echter nog tot voorzichtigheid aanmanen alvorens te denken dat het ook in de dagelijkse praktijk op zulke grote schaal zal werken.

Ten eerste waren het allemaal ouders die gemotiveerd waren om een moeilijk dieet uit te proberen, want ze werden gerekruteerd op basis van vrijwilligheid en dus niet als opeenvolgende willekeurige patiënten op een raadpleging. Dat impliceert ook dat ouders en kinderen die inmiddels tevreden zijn over een lopende behandeling (bv. gedragsaanpak of medicatie) misschien ondervertegenwoordigd waren in de onderzoeksgroep. Mogelijks speelt hier een zekere selectie en kunnen we dus niet meteen besluiten dat de gevonden resultaten voor een niet geselecteerde populatie even goed zouden zijn. De kinderen waren alle tussen 4 en 8 jaar oud en dus weten we ook nog niet of wat oudere kinderen op dezelfde manier zouden reageren.

Ten tweede was het eerste deel van de studie helemaal niet ‘blind’; de ouders en kinderen wisten immers of ze in de dieetgroep dan wel in de controlegroep zaten. Dat kan tot gevolg hebben dat er een sterk verwachtingseffect speelt bij diegenen die het dieet kregen en zelfs een desillusie-effect in de andere groep, die voorlopig geen behandeling kreeg. De studie zegt wel dat de kinderartsen die het gedrag na 5 weken dieet beoordeelden, niet wisten tot welke groep elk kind behoorde, maar de kinderartsen moesten hun beoordeling van het gedrag toch baseren op wat de ouders hen vertelden en dus waren het in feite toch de ouders zelf die het gedrag beoordeelden. Het is op basis van deze eerste fase dat er wordt geconcludeerd dat 64 procent van de kinderen goed reageerde op het dieet. Gezien deze fase geen blinde placebo-gecontroleerde studie is geweest, is die conclusie misschien toch nog wat voorbarig en optimistisch.

Ten derde worden er nadien bij de kinderen, bij wie het dieet leek te werken, opnieuw voedingsstoffen toegediend die speciaal gekozen waren en in twee groepen verdeeld: een groep die werd geacht een reactie teweeg te brengen en een groep die niet werd geacht een reactie teweeg te brengen. Beide bleken bij de helft van de kinderen het gedrag terug te doen verergeren. Het feit dat beide tot herval bij een deel van de kinderen hebben geleid, doet vragen rijzen naar het werkingsmechanisme … en doet opnieuw vermoeden dat er dus mogelijk ook een sterk ‘verwachtingspatroon’ meespeelt. Bovendien is de andere helft van de kinderen niet hervallen na het herinvoeren van de voedingsstoffen, wat ook verwonderlijk is.

Tot slot moeten we ook nog afwachten of kinderen die de eerste weken goed geholpen zijn met een dieet dit effect ook over langere tijd dan enkele weken zullen behouden.

Er blijven dus nog heel wat onzekerheden bestaan, maar er is met deze studie zeker meer hoop dat er voor sommige kinderen een alternatief bestaat voor medicatie.”

verschenen in Signaal 75, april-mei-juni 2011, p. 43-45

 

Sig vzw - Pachthofstraat 1 - 9308 Gijzegem
tel. 053 38 28 18 - fax 053 38 28 19 - - Erkenningsnr. KMO 02140